Nederlands / C1
De jongen die meer kaas wilde
Klaas van Bommel was een Hollandse boerenjongen van twaalf, stevig gebouwd, met blozende wangen en een eetlust die nooit scheen af te nemen. Volgens zijn moeder had zijn maag geen bodem. Zijn haar hield het midden tussen de kleur van wortels en die van een zoete aardappel; het groeide zo dicht als riet en was van het ene oor tot het andere recht afgeknipt.
Zijn houten klompen maakten een geweldig lawaai wanneer hij achter een konijn aan rende. Op weg naar school sleepte hij ze langzamer over de stenen dorpsweg. ’s Zomers droeg hij een ruwe blauwe linnen kiel; ’s winters een warme jas waaraan een wijde wollen broek vastzat, met pijpen die op omgekeerde koeienbellen leken. Tot zijn vijfde verjaardag had hij kleren gedragen zoals zijn zusjes. Toen kreeg hij jongenskleren, met twee zakken waarop hij bijzonder trots was.
Aan eten ontbrak het hem niet. ’s Ochtends waren er roggebrood en verse melk. Bij het middageten kreeg hij naast brood en kaas een bord vol gekookte aardappelen. Hij prikte ze één voor één aan zijn vork, doopte ze in hete, gesmolten boter en liet ze razendsnel verdwijnen. ’s Avonds dronk hij bij zijn brood de melk waarvan de room voor de boterbereiding was afgeschept. Tweemaal per week genoten de kinderen van gestremde melk met een beetje bruine suiker. Maar bij iedere maaltijd hoorde kaas, meestal in plakken die Klaas naar zijn smaak veel te dun vond.
Zodra zijn dikke haar ’s avonds het kussen raakte, sliep hij doorgaans al. In de zomer werd hij wakker van het eerste vogelgezang. In de winter, wanneer zijn bed met de strozak als matras behaaglijk warm was, hoorde hij soms de koeien al voordat hij eruit sprong. De Van Bommels hadden weinig geld, maar alles in huis blonk van netheid.
In de koele kelder stonden lange roggebroden rechtop, dikker dan een mannenarm. Er werd eenmaal per week gebakken. Dat was een belangrijke gebeurtenis waarbij de mannen uit de keuken moesten blijven, tenzij hun hulp werd ingeroepen. Melkemmers en schalen werden dagelijks geschrobd en in de zon gezet. De kazen lagen zo hoog opgestapeld in de voorraadkamer dat er haast een klein leger van had kunnen eten.
Toch wilde Klaas altijd meer kaas. Verder viel er weinig op hem aan te merken: hij gehoorzaamde thuis, hielp graag op de boerderij en werkte ijverig op school. Alleen aan tafel leek er geen einde aan zijn honger te komen. Zijn vader vroeg lachend of hij onder zijn jas soms een put of een grot verborgen hield.
Zijn drie jongere zusjes heetten Trijntje, Anneke en Saartje. Hun moeder noemde hen liefkozend haar oranjebloesems. Klaas, die nog aardappelen in de boter zat te dopen wanneer de anderen allang klaar waren, was haar boterbloempje. Als hij al te gulzig werd, vergeleek zij hem met het geel-witte vlasbekje: een mooi bloemetje, maar voor de boer vooral lastig onkruid.
Op een zomeravond had hij elk zusje zover gekregen dat zij haar stukje kaas afstond. Samen met zijn eigen portie lag die buit loodzwaar in zijn maag. Zijn moeder had hem een verdiend standje gegeven, en bijna huilend trok hij zich terug op zolder.
Bij de bouw van het huis was één rode dakpan vervangen door een glazen exemplaar. Daardoor had Klaas ’s ochtends licht om zich aan te kleden; bij helder weer liet de opening ’s nachts lucht binnen. Er woei nu een zacht briesje uit het dennenbos op de zandhelling. Klaas ging op een krukje staan om de frisse harsgeur op te snuiven.
Onder de bomen meende hij lichtjes te zien dansen. Eén straal naderde het dak, speelde om de schoorsteen en zweefde vervolgens voor zijn gezicht langs. Er leek iets in zijn oor te fluisteren. Het licht deed denken aan honderd vuurvliegjes die samen één lamp vormden. Even onderscheidde hij er de gestalte van een mooi meisje in, maar dat vond hij zelf zo’n dwaas idee dat hij moest lachen.
Geleidelijk werd het gefluister een stem. Klaas vergat zijn slechte humeur en zijn moeders berisping toen hij de uitnodiging verstond: ‘Er is kaas genoeg. Kom met ons mee.’
De slaperige jongen wreef in zijn ogen en spitste zijn oren. Opnieuw werd hij geroepen. Zou het werkelijk mogelijk zijn? Hij had oudere mensen horen vertellen over vrouwen uit het bos, die reizigers fluisterend waarschuwden. En de feeënkring tussen de dennen had hij zelf meer dan eens gezien. Daar wilde het lichtwezen hem blijkbaar naartoe lokken.
De maan klom boven de schoorstenen en gaf de rode dakpannen een zilveren glans. Tegen dat helderdere licht was de zwevende gestalte steeds moeilijker te onderscheiden, maar haar stem klonk duidelijker dan ooit: ‘Er is kaas genoeg. Kom met ons mee.’
Klaas besloot het uit te zoeken. Hij trok zijn dikke wollen kousen aan en sloop de trap af, zonder iemand wakker te maken. Bij de deur stapte hij in zijn klompen. De kat spinde en streek langs zijn benen. Hij schrok, maar herkende bij het naar beneden kijken de twee gele ogen. Daarna haastte hij zich naar het dennenbos.
Wat hij daar zag, leek aanvankelijk op een kring grote vuurvliegjes. Toen ontdekte hij tientallen kleine wezens, nauwelijks groter dan poppen en beweeglijk als krekels. Het waren net lampjes met vleugels. Hand in hand dansten ze rondom de grasring.
Voordat Klaas van zijn verbazing bekomen was, verlieten enkele van de sterkste feeën de kring. Ze omringden hem en trokken met hun fijne vingers aan hem. De mooiste fluisterde dat hij moest meedansen. De anderen herhaalden in koor dat er kaas genoeg was.
Zijn voeten werden licht als veren. Even later danste hij tussen hen in, met beide handen in die van zijn gezelschap. Het was even plezierig als tijdens de kermis, wanneer jongens en meisjes hand in hand door de straten trokken. Hij had het veel te druk met genieten om de feeën nauwkeurig te bekijken. De hele nacht danste hij, totdat de oostelijke hemel eerst grijs en vervolgens roze kleurde. Toen zakte hij uitgeput neer en viel in slaap, zijn hoofd aan de binnenrand van de kring en zijn voeten naar het midden.
Hij besefte niet dat hij sliep en voelde zich volkomen gelukkig. De feeën die met hem gedanst hadden, brachten nu kazen aan. Met een gouden mes sneden ze stukken af en voerden hem eigenhandig. Eindelijk kon hij alles opeten waarnaar hij zijn leven lang had verlangd, zonder moederlijke verwijten of een waarschuwende vinger van zijn vader.
Maar na verloop van tijd wilde hij rusten. Zijn kaken waren moe, zijn maag leek gevuld met kanonskogels en hij hapte naar adem. De feeën hielden echter niet op. Van noord, zuid, oost en west kwamen ze aangevlogen met nieuwe kazen: rode bollen uit Edam, roze en gele uit Gouda, grijze langwerpige uit Leiden. De sterkste feeën rolden reusachtige platte kazen uit Friesland over het zand. Ze waren zo groot als wagenwielen, maar de feeën dreven ze met dennenstokken voor zich uit alsof ze hoepelden.
Boerenkaas, fabriekskaas, kaas uit Alkmaar en zelfs de Limburgse kaas waarvan Klaas de geur niet verdragen kon: alles stapelde zich om hem heen op. Hij keek omhoog als een kikker op de bodem van een put. De kaasmuren leken te wankelen. Hij kreunde en schreeuwde, maar de feeën hielden dat voor muziek. Hoe een jongen zich voelde, begrepen deze wezens niet. Hun koningin bleef hem aansporen verder te eten.
Met in iedere hand een stuk kaas kon Klaas geen hap meer verdragen. Toen kantelde de hele stapel, inmiddels zo groot als een huis, naar binnen. Hij schreeuwde van angst en meende onder het gewicht zo plat te worden als een Friese kaas.
Maar hij werd wakker. De rode zon rees boven het zand, vogels zongen, hanen kraaiden en de dorpsklok sloeg het uur. Zijn kleren waren nat van de dauw. Om hem heen was geen fee te bekennen. In zijn mond zat wel een pluk gras, waarop hij ijverig had liggen kauwen.
Klaas vertelde nooit over zijn nacht met de feeën. Evenmin kwam hij erachter of ze vertrokken waren doordat het kaashuis uit zijn droom instortte, of eenvoudigweg doordat de dag was aangebroken.
English summary · includes the ending
Klaas is a hardworking Dutch farm boy with one weakness: he always wants more cheese. One evening, after persuading his sisters to give him their portions, he goes to bed with a full stomach and in a bad mood.
From his attic window, he sees strange lights near the woods. A voice promises plenty of cheese and invites him outside. He follows it and joins a group of tiny fairies dancing in a ring.
At dawn, he falls asleep on the grass. He dreams that the fairies feed him endless pieces of cheese. At first he is delighted, but soon he cannot eat another bite. More cheese keeps arriving until huge piles surround him.
When the piles fall towards him, he wakes in terror. The fairies have disappeared, his clothes are wet with dew, and he has been chewing grass. He never tells anyone about the experience or settles what really happened.
Adapted for Lejrbår from the credited source.
Read the source