Nederlands / B2
De jongen die meer kaas wilde
Klaas van Bommel was twaalf jaar en woonde op een boerderij waar veel koeien werden gehouden. Hij was groot voor zijn leeftijd, had rode wangen en dik, geelrood haar. Zijn moeder beweerde dat zijn maag geen bodem had. Als hij op zijn houten klompen door het dorp rende, kon iedereen hem horen aankomen.
De familie was niet rijk, maar het huis was schoon en er was genoeg te eten. In de koele kelder stonden lange roggebroden, en in de voorraadkamer lagen de kazen opgestapeld. Klaas kreeg brood en melk, en bij het warme eten een bord vol gekookte aardappelen. Die doopte hij één voor één in gesmolten boter. Bij iedere maaltijd hoorde kaas. Alleen vond hij de plakken nooit dik genoeg.
Verder was hij een goede jongen. Hij gehoorzaamde thuis, hielp op de boerderij en deed zijn best op school. Maar aan tafel leek hij onverzadigbaar. Zijn vader vroeg soms lachend of hij onder zijn jas een put of een grot verborgen hield. Klaas had ook drie jongere zusjes: Trijntje, Anneke en Saartje. Terwijl zij allang klaar waren met eten, bleef hij vaak nog aardappelen in de boter dopen.
Op een zomeravond had hij zijn zusjes zo lang lastiggevallen dat ieder haar stukje kaas aan hem had gegeven. Samen met zijn eigen portie lag dat zwaar op zijn maag. Zijn moeder had hem terecht een standje gegeven. Bijna huilend ging hij naar bed.
Klaas sliep op zolder. In het dak zat tussen de rode pannen een glazen dakpan die overdag licht binnenliet. Bij mooi weer kon de opening ’s nachts voor frisse lucht zorgen. Die avond kwam er een zachte wind uit het dennenbos bij de zandhelling. Klaas klom op een krukje om de geur van de bomen op te snuiven.
Tussen de dennen meende hij lichtjes te zien dansen. Eén licht kwam dichterbij, zweefde rond de schoorsteen en bewoog voor hem langs. Het leek wel alsof honderd vuurvliegjes samen één lamp vormden. Even dacht hij dat er een mooi meisje in te herkennen was, maar om dat idee moest hij lachen.
Toen hoorde hij een stem: ‘Er is kaas genoeg. Kom met ons mee.’
Hij wreef in zijn ogen en luisterde nog eens. Het licht nodigde hem opnieuw uit. Oude mensen hadden hem verteld over boswezens die tegen reizigers fluisterden. Bovendien had hij zelf de kring in het gras gezien waar volgens hen de feeën dansten. Zou hij daarheen worden geroepen?
De maan kwam hoger boven de daken te staan. Het lichtje was daardoor moeilijker te zien, maar de uitnodiging klonk steeds duidelijker. Klaas besloot te gaan kijken. Hij trok zijn dikke kousen aan, liep stil naar beneden en stapte bij de deur in zijn klompen. De kat streek langs zijn benen. Even schrok hij, tot hij begreep van wie die twee gele ogen waren. Daarna haastte hij zich naar het bos.
Bij de kring zag hij tientallen kleine wezens, nauwelijks groter dan poppen. Ze leken op lampjes met vleugels en dansten hand in hand boven het gras. Een paar kwamen naar hem toe en trokken hem met hun fijne vingers mee.
‘Je moet met ons dansen’, fluisterde de mooiste.
‘Kaas genoeg! Kaas genoeg!’ zongen de anderen.
Klaas voelde zich plotseling zo licht als een veertje. Hij pakte hun handen en danste mee, vrolijk als tijdens de kermis. Hij bleef dansen totdat de hemel in het oosten eerst grijs en daarna roze werd. Toen viel hij uitgeput neer en sliep in, met zijn hoofd aan de binnenrand van de kring en zijn voeten naar het midden.
In zijn slaap voelde hij geen vermoeidheid. De feeën brachten hem kaas, sneden er met een gouden mes stukken af en voerden hem met hun eigen handen. Eindelijk mocht hij zoveel eten als hij altijd had gewild. Geen moeder die hem een standje gaf, geen vader die waarschuwend zijn vinger opstak.
Na een tijdje wilde hij echter stoppen. Zijn kaken deden pijn en zijn maag voelde alsof hij kanonskogels had ingeslikt. Maar de feeën bleven kaas brengen. Van alle kanten kwamen ze aangevlogen met rode kazen uit Edam, gekleurde bollen uit Gouda en langwerpige kazen uit Leiden. De sterkste feeën rolden enorme platte kazen uit Friesland tussen de bomen door. Er kwam zelfs Limburgse kaas aan, waarvan Klaas de sterke geur niet kon verdragen.
De stapels groeiden om hem heen tot hoge muren. Klaas voelde zich als een kikker onder in een put. Hij kreunde en schreeuwde, maar de feeën dachten dat hij muziek maakte. Ze waren geen mensen en begrepen zijn angst niet. Hun koningin bleef hem aansporen verder te eten.
Ten slotte begon de kaasmassa, inmiddels zo groot als een huis, te kantelen. Alles viel op hem af. Met een angstschreeuw dacht Klaas dat hij zo plat als een Friese kaas werd gedrukt.
Maar toen werd hij wakker. De rode zon kwam op boven het zand, vogels zongen, hanen kraaiden en de dorpsklok sloeg. Zijn kleren waren nat van de dauw. Er was geen fee te zien. Wel zat er een pluk gras in zijn mond waarop hij flink had liggen kauwen.
Klaas vertelde niemand over die nacht. Ook wist hij nooit zeker waarom de feeën verdwenen waren: door het instorten van zijn gedroomde kaashuis, of gewoon doordat het dag werd.
English summary · includes the ending
Klaas is a hardworking Dutch farm boy with one weakness: he always wants more cheese. One evening, after persuading his sisters to give him their portions, he goes to bed with a full stomach and in a bad mood.
From his attic window, he sees strange lights near the woods. A voice promises plenty of cheese and invites him outside. He follows it and joins a group of tiny fairies dancing in a ring.
At dawn, he falls asleep on the grass. He dreams that the fairies feed him endless pieces of cheese. At first he is delighted, but soon he cannot eat another bite. More cheese keeps arriving until huge piles surround him.
When the piles fall towards him, he wakes in terror. The fairies have disappeared, his clothes are wet with dew, and he has been chewing grass. He never tells anyone about the experience or settles what really happened.
Adapted for Lejrbår from the credited source.
Read the source