Nederlands / C1

De hoofdige boer

Short story

Bij het kerkje van Almen kan men tegenwoordig aankomen zonder natte voeten te krijgen, zelfs wanneer de omgeving in de winter onder water staat. Ooit was dat anders. Toen sneed een doorwaadbare plek, een ondiepe oversteek door het water, de weg naar de kerk. Daarnaast kwam later een bruggetje te liggen dat niet iedereen kon waarderen. Het had één groot gebrek: het was nieuw.

Het water had de kerkgangers al lange tijd verdriet bezorgd. De diepte wisselde naargelang het water in de omliggende sloten steeg of daalde. Wie warm van een lange wandeling aankwam en vervolgens door de koude modder moest, ondervond daar weinig goeds van. Vooral de jonge vrouwen kregen last van de kou. Hun ijver om de kerkdienst bij te wonen leverde soms eerder buikpijn op dan geestelijke troost. Schoenen en zondagse kleren hadden al evenzeer te lijden.

Uiteindelijk kwam er een dominee die zich het oude probleem aantrok. Op een zondag richtte hij zich na de preek tot zijn gemeente. Toen hij nog jong was en pas als hun voorganger was benoemd, had hij hen trouw door het water geleid. Ook nu, met zijn grijze baard, zou hij dat gerust willen blijven doen. Alleen: het ging niet meer. Hoest en pijnlijke gewrichten beroofden hem van kracht en adem. Nog een paar keer zo doorweekt als die ochtend, en hij zou zijn laatste preek hebben gehouden. Als de toestand niet veranderde, moesten ze hem maar met pensioen sturen.

Zijn wens was bescheiden. Op het smalste punt, vlak naast de oude oversteek, moest een houten brug komen. De eenvoudigste planken waren goed genoeg. De kerkgangers konden zelf wel bedenken hoeveel schoenen ze al in die modderpoel hadden opgeofferd en hoeveel kostbare kleding er bedorven was. Misschien hadden ze de uitgave nog binnen een jaar dubbel terugverdiend. Hijzelf zou dan allerlei middelen tegen de kou kunnen laten staan en weer nieuwe kracht krijgen.

Daarmee had hij zijn toehoorders op een gevoelig punt geraakt. Het voorstel werd ernstig en uitvoerig besproken. Viermaal dertig dagen ging het over palen, balken en planken. Daarna volgden nog driemaal dertig dagen waarin planken, balken en palen het gesprek beheersten. Wie niet beter wist, had kunnen vermoeden dat er een houten vloer over de hele rivier moest worden gelegd.

Niettemin lag er op de laatste dag van april een onmiskenbare brug. In juli hadden de jonge vrouwen daarop een groene versiering aangebracht om hun dankbaarheid te tonen. De voordelen waren duidelijk: het kerkbezoek hoefde niet langer met een koud modderbad te worden betaald. Wat als een verstandig advies was begonnen, bracht het dorp allerlei goeds.

Eén man kon zich met die algemene tevredenheid echter niet verenigen. Boer Stuggink was boos over het veelgeprezen bouwwerk. Zodra de kerkklok zich liet horen, verscheen hij met laarzen tot aan zijn heupen en een zware stok in iedere hand. Zonder verdere aankondiging stapte hij, pal naast de brug, het water in.

De vroege kerkgangers keken hem vanaf hun droge oversteek verbaasd aan. Hun gezichten stonden vol vragen, maar niemand sprak ze uit.

Toevallig was op een dag de oude Wolter op tijd aanwezig om de vertoning mee te maken. Hij vroeg zijn buurman wat hem bezielde om zo langs hen heen door het water te gaan. Hij kon toch aannemen dat de brug sterk genoeg was voor hen allebei?

Uit de modder klonk een beslist antwoord. Wolter en Stuggink waren twee verschillende mensen. Als de een niet geloofde wat de ander geloofde, had toch ieder recht op zijn eigen hoofd. Zelfs een stenen brug zou Stuggink niet betreden.

Zijn argument was de eer van de voorgaande generaties. Hun ouders waren ook niet dom geweest. Een brug liet zich gemakkelijk bouwen, maar zij hadden dat nooit gedaan. Eeuw na eeuw waren ze gegaan waar Stuggink nu ging: over de modderige weg. Ook als niemand de reden meer kende, moest die gewoonte op goede gronden zijn ontstaan. Door alsnog een brug te bouwen, had het dorp dus de eer van zijn ouders aangetast.

Daarmee moest Wolter het doen. De klok hield op met luiden, het was negen uur en de kerk wachtte. Bouw maar een brug om droog aan te komen, was Stugginks laatste woord. Met zijn laarzen kwam hij er ook.


English summary · includes the ending

People walking to church in Almen used to cross a cold, muddy stretch of water. The crossing damaged their shoes and good clothes, and sometimes made them ill. Their ageing pastor finally proposes a simple wooden bridge. He says that he cannot keep getting wet and that the villagers will save money on shoes and clothing.

After months of talking about wood and building materials, the bridge is completed. People can now cross without entering the water. Young women decorate the bridge to show their thanks.

One farmer, Stuggink, refuses to use it. Wearing boots up to his hips and holding two sticks, he walks through the water beside everyone else. When Wolter asks why, Stuggink defends the old custom. Their parents were not foolish and must have had good reasons for crossing the water. Changing their way insults them. As the church bell stops, Stuggink says his boots keep him dry too.

Adapted for Lejrbål from the credited source.
Read the source